Naar boven ↑

Annotatie

mr. A. Schaberg
11 augustus 2021

Uitspraak

Klachten tegen mediator ongegrond

In een zaak (M-2021-3) over een langlopend conflict tussen klagers en een uitkeringsorganisatie  over de uitbetaling van ziekengeld en het in gang zetten van een WIA-procedure, worden zowel de mediator als zijn kantoor in de tuchtrechtelijke procedure betrokken.

De Tuchtcommissie oordeelde dat klagers in hun klacht tegen het kantoor van de mediator niet-ontvankelijk waren. Vanzelfsprekend: dat kantoor was geen partij bij de mediationovereenkomst en was dus ook niet gebonden aan het Reglement Stichting Tuchtrechtspraak Mediators, in het bijzonder niet aan artikel 5 daarvan. (In dat artikel is geregeld dat iedere belanghebbende bij de Tuchtcommissie schriftelijk een klacht kan indienen wegens overtreding van de Gedragsregels.)  

De klachten tegen de mediator zien samengevat op drie punten waarin hij te kort zou zijn geschoten. Hij zou niet onafhankelijk zijn geweest, hij zou onvoldoende werk hebben gemaakt van verslaglegging van de derde en laatste bijeenkomst en hij zou de mediation niet hebben mogen beëindigen.

De Tuchtcommissie verklaarde alle klachten ongegrond. Zij besteedde ruim aandacht aan het feitenrelaas van klagers en aan het verweer daartegen van de mediator. Ik zal daarvan hierna zoveel mogelijk abstraheren en mij beperken tot voor de praktijk relevante overwegingen van de Tuchtcommissie.

Wat betreft het eerste verwijt is van belang dat de mediator cursussen voor de uitkeringsorganisatie verzorgt en af en toe door die organisatie als mediator wordt ingeschakeld. Uit dien hoofde had hij één van de bij de mediation betrokken medewerkers van de uitkeringsorganisatie wel eens ontmoet. Aan het begin van de mediation was hij hierover tegenover klagers transparant geweest. Klagers hadden daartegen toen geen bezwaar aangevoerd. Ook later tijdens de mediation lieten klagers van bezwaren daartegen niets blijken.[1] Het feit dat de wederpartij van klager de kosten van de mediator vergoedde, is op zich ook geen reden om de onafhankelijkheid van de mediator in twijfel te trekken. Het is in de praktijk niet ongebruikelijk dat partijen afspreken dat één partij de kosten van de mediator op zich neemt. En het feit dat de mediator na beëindiging van de mediation de verzoeken van klagers om te getuigen over een volgens hen gemaakte afspraak afwees, was juist in overeenstemming met de door de mediator in acht te nemen onafhankelijke opstelling, aldus de Tuchtcommissie. Overigens is het in dit verband wellicht nuttig om nog eens op te merken dat de Gedragsregels ook na beëindiging van de mediation doorwerken.[2]

De mediator zou volgens klagers ook hun verzoek hebben moeten honoreren om van de laatste mediationovereenkomst een verslag te maken. Die bijeenkomst was niet verlopen zoals klagers hadden gehoopt. Zij wilden het verslag daarvan gebruiken om hun positie jegens hun wederpartij te verduidelijken. Echter, de mediator had bij aanvang van de mediation aangegeven geen verslagen van de mediationbijeenkomsten te maken, anders dan mogelijke vastlegging van procedurele afspraken e.d. Op grond van Gedragsregel 8 (Werkwijze) is één van de kenmerkende taken van de mediator  dat hij het mediationproces en het verloop daarvan bewaakt. De mediator heeft de regie over het mediationproces en heeft daarin een grote vrijheid. Hij hoeft geen verslagen te maken, ook niet als hem daarom achteraf toch wordt gevraagd.[3] Maar ook hier geldt: daarover moet de mediator bij aanvang van de mediation duidelijk zijn. 

Tot slot het verwijt van klagers dat de mediator de mediation plotseling zou hebben beëindigd. Na afloop van de derde mediationbijeenkomst had de mediator contact met zowel klagers als vertegenwoordigers van hun wederpartij om te bezien of de mediation nog kon worden vlot getrokken. Op grond van die gesprekken concludeerde de mediator dat dat niet het geval was en besloot hij de mediation te beëindigen. Dienovereenkomstig berichtte hij beide partijen (op neutrale wijze). Hoewel dat niet met zoveel woorden uit de uitspraak van de Tuchtcommissie blijkt, kan die mededeling bij klagers niet plotseling uit heldere hemel zijn gevallen. Partijen zijn vrij op ieder moment dat het hen dat uitkomt, en om welke reden dan ook, de mediation te beëindigen. Voor de mediator is die vrijheid echter enigszins begrensd en gaat niet zover dat hij dat ‘rauwelijks’, als donderslag bij heldere hemel kan doen. Hij moet op zorgvuldige wijze met die vrijheid omgaan en partijen daarmee niet overvallen, aldus de Tuchtcommissie in eerdere uitspraken.[4]


[1] Zie in dit verband ook M-2019-3 op mfn-tuchrechtupdates.nl en mijn annotatie van die zaak in Tijdschrift Conflicthantering 2019, nr. 5 alsmede het hoger beroep van die zaak, B-2019-2 en mijn annotatie daarvan van 26 mei 2020 op mfn-tuchtrechtupdates.nl. 

[2] Zie ook M-2019-19 en mijn annotatie van die zaak van 22 september 2020 op mfn-tuchtrechtupdates.nl en in de nieuwsbrief MfN-register Tuchtrecht Updates 2020, nr. 2. 

[3] Zie ook M-2019-1 op mfn-tuchtrechtupdates.nl en mijn annotatie van die zaak in Tijdschrift Conflicthantering 2019, nr. 4, 

[4] M-2019-8 en mijn annotatie van die zaak van 27 oktober 2020 alsmede M-2019-15 en mijn annotatie van die zaak van 9 april 2020 op mfn-tuchrechtupdates.nl.