Naar boven ↑

Annotatie

mr. A. Schaberg
2 oktober 2026

Uitspraak

Meerdere herberekeningen geen bewijs van gebrek aan deskundigheid

Pas na afloop van de mediation begon het bij klager kennelijk te knagen. Want uit de uitspraak van de Tuchtcommissie (M-2025-15) blijkt niet dat hij al tijdens de mediation problemen had met het functioneren van de mediator. De vragen waar het in deze echtscheidingszaak om ging is of de mediator voldoende deskundig was en of zij partijdig zou zijn geweest. De Tuchtcommissie zag niets in de klachten van klager en verklaarde die dan ook ongegrond.

Klager had voorafgaande aan de mediation door zijn advocaat een alimentatieberekening laten maken, maar niet ingebracht in de mediation. Die berekening was gebaseerd op een eigen salarisstrook van klager. De alimentatieberekening waar partijen uiteindelijk voor ‘tekenden’ was echter gebaseerd op het fictieve inkomen van klager in het voorafgaande jaar. Die keuze hadden partijen tijdens de mediation zelf gemaakt. In dat fictieve inkomen waren ook een eenmalige aanbrengpremie van € 2.000 alsmede een vergoeding voor niet structurele overwerkuren opgenomen.[1] Volgens klager had de mediator dat direct moeten corrigeren. Die vlieger gaat echter niet op. Zoals de Tuchtcommissie overwoog, bepalen partijen zelf welke keuzes zij maken met betrekking tot de input voor de alimentatieberekening en dat ‘… het de mediator dus niet verweten kan worden dat zij niet gevraagd heeft om een salarisstrook in plaats van de jaaropgave’. Het feit dat tijdens de mediation diverse alimentatieberekeningen zijn gemaakt, biedt volgens de Tuchtcommissie ook geen aanknopingspunt om aan te nemen dat de mediator onvoldoende deskundig was. ‘Vaststaat dat de alimentatieberekeningen steeds door de mediator met partijen zijn besproken en naar aanleiding van opmerkingen van partijen zijn aangepast’, aldus de Tuchtcommissie. Zo zijn dus ook de correcties in verband met de in eerste instantie meegerekende aanbrengpremie en overuren verwerkt. Op die manier werkt dat inderdaad in de praktijk. En dat betekent op zich niet dat er sprake zou zijn van verwijtbaar ondeskundig gedrag bij het maken van de alimentatieberekeningen.

De prealabele overweging van de Tuchtcommissie bij de beoordeling van dit klachtonderdeel verdient enige aandacht (r.o. 4.3). De Tuchtcommissie overwoog terecht dat het niet haar taak is om een alimentatieberekening inhoudelijk op juistheid te beoordelen. Zij heeft alleen tot taak om te beoordelen of de mediator bij het opstellen van de alimentatieberekening(en) verwijtbare fouten heeft gemaakt en dus mogelijk onvoldoende deskundig heeft gehandeld. Dit moge zo zijn, maar een onjuiste alimentatieberekening zou in bepaalde situaties wel het gevolg kunnen zijn van de ondeskundigheid van de mediator? Juist in echtscheidingszaken kan dat spelen. In die zaken heeft de mediator immers een meer proactieve rol.[2] Om dan te kunnen beoordelen of de mediator in voorkomend geval voldoende deskundig is geweest, zou de Tuchtcommissie toch iets moeten (kunnen) zeggen over de juistheid van de alimentatieberekening.

Wat betreft de vermeende partijdigheid van de mediator kon klager zijn standpunt niet nader motiveren. De mediator voerde in haar verweer aan dat zij zich niet kon herinneren dat klager tijdens de mediationgesprekken haar onpartijdigheid in twijfel zou hebben getrokken. Ook uit de door klager goedgekeurde verslagen van die gespreken, bleek daarvan niets.

Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak vulde klager zijn klacht op dit punt nog aan. Omdat de mediator zich hierop niet had kunnen voorbereiden,  zou dit echter in strijd kunnen zijn met een behoorlijke procesorde. Daarom vroeg de Tuchtcommissie aan de mediator of zij er desalniettemin mee instemde dat dit verwijt in de beoordeling van de klacht door de Tuchtcommissie werd meegewogen. De mediator had hiertegen geen bezwaar. Het ging om het volgende. De mediator was na afloop van de mediation nog telefonisch benaderd door de ex-partner van klager met een vraag over de zorgkosten. Echter, de mediator heeft die ex-partner toen meteen laten weten dat zij haar vraag in een mail moest stellen, die zij ook aan klager moest richten. En zo geschiedde. De Tuchtcommissie volgde deze uitleg van de mediator en kwam tot het oordeel dat de mediator ook hier niet verwijtbaar had gehandeld.

Voor de volledigheid wijs ik in dit verband nog op Gedragsregel 8 (Werkwijze). Daarin is in artikel 8.5 sinds 1 januari 2026 bepaald dat de werkzaamheden van de mediator eindigen na verzending van zijn/haar neutrale eindbericht. Dit  betekent dat de mediator daarna geen enkele bemoeienis meer heeft (en kan hebben) met (het onderwerp van) de mediation. Dit is anders als beide partijen daarmee akkoord gaan. Het verdient dan aanbeveling om met partijen goed af te spreken waaruit die bemoeienis bestaat, en onder welke voorwaarden de mediator dan te werk gaat. Denk hierbij bijvoorbeeld aan geheimhouding en, ook niet onbelangrijk, door de mediator in rekening te brengen kosten. Grote terughoudendheid is hier in ieder geval op zijn plaats. 

 


[1] Waar deze eenmalige aanbrengpremie voor werd betaald, blijkt niet uit de uitspraak van de Tuchtcommissie.

[2] Zie Brink, Schaberg & Schreurs, Tuchtrecht voor Mediators, Deventer: Wolters Kluwer 2026, paragraaf 3.7.2.