Naar boven ↑

Annotatie

mr. A. Schaberg
13 augustus 2026

Uitspraak

Toetsing vertrouwelijkheidsnormen bij interventies en beƫindiging mediation

De mediator is deels met succes in beroep gegaan tegen de beslissing van de Tuchtcommissie.[1] Het College van Beroep herhaalde in zijn uitspraak (B-2025-4) het feitenrelaas zoals de Tuchtcommissie dat in haar uitspraak verwoordde. Dat was in hoger beroep ook niet bestreden. Hetzelfde geldt voor de door de Tuchtcommissie geformuleerde klachten.

Wel stelde de mediator in hoger beroep dat er in feite meer was gebeurd dan uit het feitenrelaas van de Tuchtcommissie bleek. En dat heeft haar wat betreft een van de twee klachtonderdelen die de Tuchtcommissie gegrond verklaarde geholpen. De Tuchtcommissie had overwogen dat de mediator niet neutraal was geweest toen zij klager bij een emotionele uitbarsting had verzocht zijn toon te matigen en naar zijn ex-partner te luisteren. Hier zou de mediator met gebruikmaking van de tot de eigen competentie behorende interventies invulling hebben moeten geven aan haar rol en taak, aldus de Tuchtcommissie. De manier waarop zij dat had gedaan paste daar dus volgens de Tuchtcommissie niet in.

In hoger beroep heeft de mediator betoogd ‘… dat zij klager voldoende ruimte heeft gegeven om zijn eigen inbreng te leveren en dat zij partijen had gestimuleerd om elkaar te vertellen hoe zij voorbeeldsituaties ervaren en waar dan voor hen de emotie zit’, zo verwoordde het College van Beroep de toelichting van de mediator op haar interventies. Op de hoorzitting van het College van Beroep heeft de mediator desgevraagd concreet toegelicht hoe het desbetreffende mediationgesprek tussen partijen onder haar begeleiding was verlopen en op welke wijze zij had geïntervenieerd. Daaruit kwam dus kennelijk een ander beeld naar voren dan tijdens de behandeling van de zaak bij de Tuchtcommissie. Uit de door de mediator gegeven toelichting bleek ook niet dat zij naar klager zou hebben geschreeuwd of met haar vingen zou hebben gewezen, zoals klager in eerste instantie had gesteld. Het College van Beroep kwam tot de conclusie dat de mediator haar neutraliteit niet had geschonden. ‘Zij heeft de ex-partner de ruimte gegeven om haar zegje te doen. Daar staat tegenover dat zij ook klager de ruimte heeft gegeven om daarop te regeren. Dat zij daarbij aanvankelijk klager heeft gevraagd om eerst te luisteren naar zijn ex-partner en daarbij aan klager heeft aangegeven dat het gaat om ieders beleving en dat het er niet om gaat wie de mediator gelooft, wil niet zeggen dat zij haar neutraliteit heeft geschonden’, aldus het College van Beroep.

Klager was niet bij de mondelinge behandeling van het hoger beroep aanwezig om het relaas van de mediator te betwisten. Het College van Beroep moest daarom uitgaan van de juistheid van wat de mediator toen naar voren heeft gebracht.

De Tuchtcommissie had ook geoordeeld dat de mediator in haar eindbericht de vertrouwelijkheid had geschonden, het tweede klachtonderdeel dat zij gegrond achtte. De mediator had daarbij namelijk het concept ouderschapsplan gevoegd en daarin bovendien een verslag van (het verloop van) de twee mediationbijeenkomsten opgenomen. Het College van Beroep onderschreef de daaruit door de Tuchtcommissie getrokken consequenties dat dit klachtwaardig was. Het beroep van de mediator hiertegen faalde dus.

De bevindingen van de Tuchtcommissie hadden geleid tot de maatregel van een voorwaardelijke schorsing van drie maanden, ook gezien het tuchtrechtelijke verleden van de mediator (eerder zag zij zich geconfronteerd met een waarschuwing en een berisping). Hoewel ook het College van Beroep de schending van de vertrouwelijkheid ernstig vond en het ook rekening heeft gehouden met het tuchtrechtelijk verleden van de mediator, matigde het begrijpelijkerwijs de maatregel van de Tuchtcommissie. Het College van Beroep kwam tot een berisping. Op één van de twee beroepsgronden stelde het College van Beroep klager immers in het gelijk. 


[1] M-2025-3, Tuchtrecht Updates 2025, nr.4.