Naar boven ↑

Annotatie

mr. A. Schaberg
13 augustus 2026

Uitspraak

Moment van beëindiging van de mediation bepalend voor klachttermijn

Nadat het echtscheidingsconvenant was getekend, heeft de mediator nog een aantal administratieve werkzaamheden uitgevoerd (waaronder ook de inschrijving van de echtscheiding in het bevolkingsregister). Maar in het echtscheidingsconvenant was bepaald dat de mediation per de datum van ondertekening daarvan, namelijk op 6 maart 2024, tot een einde was gekomen.[1] In deze zaak (M-2025-12) speelt in de eerste plaats de vraag of klager ontvankelijk was in zijn klacht. Het eerste verweer van de mediator tegen de klacht was namelijk dat klager zijn klacht meer dan 18 maanden na 6 april 2024 had ingediend, namelijk op 8 september 2025, twee dagen te laat dus. De Tuchtcommissie verwierp dit verweer. Afgezien van het feit dat het hier slechts een overschrijding van de termijn van 18 maanden met twee dagen betrof - hieraan besteedde de Tuchtcommissie geen aandacht -, overwoog de Tuchtcommissie dat klager ervan uit mocht gaan dat die termijn pas begon te lopen nadat de mediator partijen op 8 april 2024 had bericht dat haar werkzaamheden waren beëindigd. De Tuchtcommissie overwoog in dit verband als volgt: ‘… de mediator [heeft] na het ondertekenen van het convenant nog werkzaamheden verricht die in het verlengde lagen van haar opdracht als mediator.’ Het verweer van de mediator dat het hier niét ging om werkzaamheden die zij had verricht als mediator, verwierp de Tuchtcommissie. Volgens artikel 5.3 van het Reglement Stichting Tuchtrechtspraak (hierna: het ‘Reglement’) zoals dat gold tot 1 april 2026, had (de voorzitter van) de Tuchtcommissie een discretionaire bevoegdheid een klacht ondanks overschrijding van de termijn van 18 maanden, toch in behandeling te nemen. Hoewel artikel 5.3 spreekt over beëindiging van de mediation, en niet over beëindiging van de werkzaamheden van de mediator, kan ik de inzet van de discretionaire bevoegdheid van (de voorzitter van) de Tuchtcommissie in dit verband wel billijken. Maar hoe zou zijn beslist in geval het huidige Reglement van toepassing zou zijn geweest? Artikel 5.3 daarvan laat aan duidelijkheid niets meer te wensen over: klachten dienen te worden ingediend binnen 18 maanden na de einddatum van de mediation zoals die volgt uit het eindbericht van de mediator. Bij gebreke van zo’n eindbericht, beslist de voorzitter van de Tuchtcommissie welke datum als het einde van de mediation geldt. Deze bepaling is gewijzigd met het oog op de rechtszekerheid. Het criterium is de datum van het einde van de mediation, en niet de datum waarop de mediator zijn werkzaamheden heeft beëindigd. Overigens zou het beter zijn om na het einde van de mediation helemaal geen werkzaamheden meer uit te oefenen. In Gedragsregel 8.5 van de Gedragsregels voor de MfN-registermediator zoals die vanaf 1 januari 2026 gelden, is uitdrukkelijk bepaalt dat de werkzaamheden van de mediator eindigen nadat hij het eindbericht heeft verzonden zoals bedoeld in artikel 8.2 van het MfN-Mediationreglement. Samenvattend zou de mediator er in deze zaak goed aan hebben gedaan de datum van beëindiging van de mediation in een afzonderlijk eindbericht te bevestigen en vanaf die datum geen werkzaamheden meer uit te voeren. Zou hij dat om welke reden dan ook nog wel moeten doen (en die werkzaamheden niet aan iemand anders kunnen worden overgelaten), dan ware het beter geweest in het echtscheidingsconvenant een andere datum van beëindiging (van de mediation) op te nemen en in een eindbericht die datum te bevestigen.

Overigens overwoog de Tuchtcommissie de klacht van klager ongegrond. Die verweet de mediator dat hij tijdens de mediation druk heeft ervaren onder meer om zo snel mogelijk het convenant te ondertekenen. Verder zou de mediator geen rekening hebben gehouden met de kennisachterstand van klager ten opzichte van zijn ex-partner, die kandidaat-notaris was. De ex-partner van klager had nog in een laat stadium commentaar op het convenant geleverd, en een dag na de afgesproken datum daarvoor. Om die reden had de mediator dan ook de datum voor ondertekening daarvan met een week uitgesteld, zodat klager nog ruimschoots de gelegenheid had op dat commentaar te reageren. ‘De kennelijk door klager ervaren druk en ongelijkwaardigheid tussen zijn kennisniveau en dat van zijn ex-partner, blijkt niet uit de stukken en is ook tijdens de zitting feitelijk niet uit de verf gekomen’, aldus de Tuchtcommissie. ‘Hieruit kan juist niet worden afgeleid dat klager onder druk gezet werd om het convenant te ondertekenen’, vervolgde de Tuchtcommissie. ‘Dat geldt evenzeer voor zijn klacht dat de mediator onvoldoende oog heeft gehad voor de (on)gelijkwaardigheid van partijen’, zo   overwoog de Tuchtcommissie in dit verband tot slot.

Kennelijk moest er nog een vordering van klager van € 70.000 worden verrekend met de overwaarde van het huis. Hoe hier de feiten precies waren, is mij uit de uitspraak van de Tuchtcommissie niet goed duidelijk geworden, maar klager verweet de mediator dat zij hier ten nadele van hem steken had laten vallen. Wat hiervan zij, de mediator was uitgegaan van de juistheid van de bedragen zoals die in een notariële akte tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden waren opgenomen. Vanwege de dwingendrechtelijke bewijskracht van zo’n akte, kon de mediator dan ook niet anders dan van de juistheid daarvan uitgaan. ‘Op haar rustte geen plicht tot controle daarvan’, aldus de Tuchtcommissie. Klager had ook niet voldoende toegelicht dat het convenant, in het bijzonder betreffende de verdeling van het vermogen en de familieschulden, bepalingen bevatte die in strijd waren met die notariële akte. “Ook is niet gebleken dat klager duidelijk aan de mediator heeft laten weten dat hij het met de inhoud van het convenant (…) niet eens was of dat deze fouten zou bevatten’, zo besloot de Tuchtcommissie haar overwegingen die tot afwijzing van de klacht leidden. 

 


[1] In de uitspraak van de Tuchtcommissie is in r.o. 2.2 per vergissing een latere datum opgenomen, namelijk een jaar later: 6 april 2025. Ook in r.o. 4.1 verwijst de Tuchtcommissie tweemaal naar een onjuiste datum van een e-mail van de mediator. Het gaat hier om een e-mail van 8 april 2024, niet om een e-mail van 8 april 2025.