Naar boven ↑

Annotatie

mr. A. Schaberg
20 mei 2026

Uitspraak

Evaluatieve rol mediator onvoldoende duidelijk en onzorgvuldige beƫindiging mediation

In het hoger beroep (B-2025-1) van de mediator tegen de uitspraak van de Tuchtcommissie[1] had de mediator geen succes. Het College van Beroep verwierp zijn beroep.

In deze familierechtelijke kwestie ging het vooral om het feit dat de mediator de partijautonomie van partijen had veronachtzaamd en onvoldoende transparant over haar rol was geweest.

De mediator heeft klager en zijn ex-partner bijgestaan in een mediation over de communicatie tussen hen en de omgang met hun dochter. In de mediationovereenkomst was daarover het volgende opgenomen: ‘Communication in general, contact between daughter and father, agreement regarding executing existing court orders and where possible preventing new/future judicial proceedings regarding (daughter, AS)…’.

Anders dan waarvan partijen uitgingen, heeft de mediator haar rol veel verder opgerekt dan alleen partijen te begeleiden bij het op gang brengen van hun onderlinge communicatie en die tussen vader en dochter. Zij gaf daaraan een veel ruimere interpretatie dan wat partijen wensten. Zo had zij zonder daarover naar beide partijen (volledig) transparant te zijn geweest veelvuldig contact gehad met diverse jeugdhulpverleners. Zij meende dat dit bij de door haar zogenoemde evaluatieve rol hoorde.[2] In dat kader wilde de mediator ook aanwezig zijn bij een intakegesprek dat klager met zo’n jeugdhulpverlener zou voeren. Toen klager haar liet weten daaraan geen behoefte te hebben, maar wel graag de mediationgesprekken met zijn ex-partner wenste voort te zetten, beëindigde de mediator de mediation onverwacht en zonder nader overleg met partijen.

Ook ging het College van Beroep mee met het oordeel van de Tuchtcommissie over deze manier waarop de mediator de mediation beëindigde en schaarde het zich in grote lijnen achter de motivering van Tuchtcommissie.[3] 

Samengevat volgde het College van Beroep de overwegingen van de Tuchtcommissie die leidden tot gegrondbevinding van de klacht tegen de mediator, inclusief de opgelegde maatregel van een berisping.


[1] Zie M-2024-5 en mijn annotatie van die zaak in MfN Tuchtrecht Updates 2025, nr. 3

[2] In mijn commentaar op de uitspraak va de Tuchtcommissie in deze zaak nuanceerde ik al wat onder een evaluatieve taakopvatting in mediation in het algemeen moet worden verstaan.  

[3] Zie in dit verband ook mijn commentaar op de uitspraak van de Tuchtcommissie in Tuchtrecht Updates 2024-5.