Annotatie
20 mei 2026
Uitspraak
Onduidelijkheid proces en uitoefening druk om vervolggesprek te voeren
Hoewel de mediation in een arbeidsrechtelijke kwestie nooit van start is gegaan, zag de mediator zich toch geconfronteerd met een klacht van de werkneemster (M-2025-11). De mediator had wel al afzonderlijke intakegesprekken met partijen gevoerd.
Klaagster had de mediator voorafgaande aan het intakegesprek dat zij met haar zou voeren laten weten dat een gezamenlijk gesprek met de werkgever in één ruimte wat haar betreft uitgesloten was. Klaagster bleef tijdens het intakegesprek bij haar standpunt. De mediator heeft toen een vorm van pendelmediation voorgesteld en toegezegd dit met de werkgever te zullen bespreken. Voordat de mediator dit had kunnen doen, stuurde klaagster de mediator al een concept vaststellingsovereenkomst. Daaropvolgend heeft de mediator partijen bericht dat haar duidelijk was geworden dat beide partijen de arbeidsovereenkomst wensten te beëindigen en dat het hierbij belangrijk was dat zij beiden actief betrokken zouden zijn bij de onderwerpen die in verband daarmee moesten worden geregeld. De mediator schreef daarover: ‘Het is dus wenselijk dat partijen met elkaar in gesprek komen. Ik stel voor een gezamenlijk gesprek te houden op …’ Klaagster sprak vervolgens haar verbazing over dit voorstel uit. Volgens haar hield de mediator geen of onvoldoende rekening met de omstandigheid dat het vanwege haar psychische toestand onmogelijk was om met de werkgever om tafel te gaan. Twee dagen later ontving de mediator van de arbodienst echter een e-mail met de mededeling dat de arbodienst contact had gehad met de werkgever en dat de arbodienst bij de werkgever had aangegeven dat mediation een advies was van de bedrijfsarts. Vervolgens heeft de mediator partijen per e-mail laten weten dat de bedrijfsarts aan klaagster mediation had geadviseerd en dat de bedrijfsarts klaagster in staat achtte om ‘fysiek aan de mediation deel te nemen’. In diezelfde e-mail liet de mediator partijen weten dat de zes dagen later geplande gezamenlijke mediation zou doorgaan. Zij besloot die e-mail als volgt: ‘Ik ga ervan uit dat wij op voornoemde datum een constructief overleg kunnen hebben.’ Een half uur later liet klaagster weten dat zij een klacht tegen de mediator zou indienen vanwege partijdig handelen en dat zij niet langer wilde dat de mediator nog bemiddelde. Na nog enige schermutselingen over en weer waarin klaagster de mediator ook aansprakelijk stelde voor schade die zij als gevolg van onrechtmatig handelen van de mediator meende te hebben geleden, beëindigde de mediator de mediation enkele dagen later.
Het eerste klachtonderdeel van klaagster trof doel. De mediator is niet duidelijk geweest over het feit dat de werkgever akkoord was met pendelmediation. Dit heeft zij, anders dan zij had toegezegd, niet teruggekoppeld aan klaagster. De mediator spreekt in haar e-mails aan klaagster over ‘gezamenlijke mediation’, zonder verdere toelichting of uitleg. Daarom kwam de Tuchtcommissie tot het oordeel dat de inhoud en bewoordingen van haar e-mails in samenhang met het ontbreken van de toegezegde terugkoppeling over pendelmediation ‘… niet alleen voorstelbaar maken maar ook in de hand hebben gewerkt dat klaagster ervan uitging dat zij op (datum, AS) met de werkgever aan tafel zou moeten gaan en dat zij zich door de mediator onderdruk gezet voelde om hieraan mee te werken.’ Hierbij speelde mee dat de mediator volgens de Tuchtcommissie een eigen vertaling aan het bericht van de arbodienst had gegeven, namelijk dat de bedrijfsarts klaagster fysiek in staat achtte om deel te nemen aan de mediation en dat er géén belemmeringen waren. De arbodienst had de mediator slechts laten weten dat de bedrijfsarts mediation adviseerde, zonder verdere advisering over bijvoorbeeld vorm of werkwijze. De Tuchtcommissie concludeerde dus dat de mediator onvoldoende duidelijk was geweest over het mediationproces en haar werkwijze.[1]
Voor de overige vier klachtonderdelen verwijs ik graag naar de uitspraak van de Tuchtcommissie. Die troffen geen van allen doel.
De Tuchtcommissie legde mediator de maatregel van een waarschuwing op. Hierbij speelde mee dat de mediator niet eerder een maatregel was opgelegd.
[1] Voor de consequenties van advisering van de bedrijfsarts dat mediation is geïndiceerd, verwijs ik naar mijn commentaar op M-2025-7 in deze Tuchtrecht Updates 2026, nr. 2.
