Naar boven ↑

Annotatie

mr. A. Schaberg
9 februari 2026

Uitspraak

Doorhaling registratie na onduidelijkheid over rol, gebrek aan expertise en hoge kosten voor partijen

Een drama in twaalf bedrijven, opende ik mijn commentaar op een uitspraak van de Tuchtcommissie van 7 juni 2024.[1] In die zaak ging het om twaalf klachten tegen de mediator. Daarvan waren er tien gegrond. De klachten waren zo ernstig dat de Tuchtcommissie, mede gezien het tuchtrechtelijke verleden van de mediator, de maatregel oplegde van doorhaling van zijn registratie in het MfN-register. Maar er kwam nog een toegift. En dat is een  zaak (M-2025-5) waarin dezelfde mediator dezelfde maatregel werd opgelegd, doorhaling van zijn registratie in het MfN-register. De mediation waarom het in deze zaak ging, speelde gedurende de klachtprocedure in de eerdere zaak. Klager beëindigde de mediation in deze zaak op 4 juni 2024, dus drie dragen voordat de Tuchtcommissie uitspraak deed in de zaak met twaalf bedrijven. Ook in deze zaak ging het om de financiële afwikkeling van de beëindiging van de relatie van partijen. Verder ging het in deze zaak om de omgangsregeling met de twee minderjarige kinderen van klager en zijn ex-partner.   

Beide zaken vertonen frappante overeenkomsten. De mediator profileerde zich in beide zaken niet alleen als mediator, maar ook als financieel planner en hypotheek- en pensioenadviseur. Partijen in deze zaak selecteerden de mediator juist vanwege deze specifieke expertise, maar kwamen evenals partijen in de andere zaak ook van de koude kermis thuis.

De mediator verstuurde hoge declaraties zonder dat daartegenover relevante werkzaamheden stonden. Vervolgens probeerde hij partijen zo lang mogelijk aan het lijntje te houden met de belofte dat de zaak snel zou kunnen worden afgerond, maar dat zij dan nog wel aanvullende kosten voor hem en voor de door hem ingeschakelde adviseurs zouden moeten maken. De zaak bleek volgens de mediator namelijk gecompliceerder dan bij aanvang van de mediation werd verondersteld. Het grote pijnpunt hierbij is dat de mediator de specifieke kennis ontbeerde die hij wel zei te hebben en daarom derden moest inschakelen om te adviseren over de pensioenproblematiek (in de eerste zaak) en over de hypotheekproblematiek (in deze zaak). Daarbij overlegde hij veelvuldig met die derde partijen, zonder klagers mee te nemen in zijn bevindingen, terwijl hij de tijd daarvoor wel bij klagers in rekening bracht. En de declaraties van de mediator waren niet mals.

In deze zaak had klager met zijn ex-partner twee hypotheken, één met betrekking tot het huis waar zij toen nog woonden en één met betrekking tot een nieuw te bouwen huis. De ex-partner van klager zou de oude hypotheek overnemen en in het bestaande huis blijven wonen en klager zou de hypotheek van de nieuwbouwwoning overnemen en op termijn daarin gaan wonen. Om tot een verdeling te komen moesten beide woningen worden getaxeerd. Terwijl klager en zijn ex-partner aanvankelijk de indruk hadden dat zij bij de mediator aan het goede adres waren, adviseerde die hen toch om een andere, meer gespecialiseerde hypotheekadviseur in te schakelen. Met die adviseur hebben zij in aanwezigheid van de mediator ook een bespreking gehad. Toen bleek dat het op dat moment niet mogelijk was om de woning te verdelen omdat er kennelijk ook nog een overbruggingshypotheek op beide woningen rustte. Die hypotheek moest eerst worden beëindigd. Daaropvolgend hebben klager en zijn ex-partner hun ongenoegen geuit over de mediator. Het was de mediator van de aanvang van de mediation af duidelijk dat het partijen vooral ging om de expertise van de mediator op het gebied van hypotheken. Maar over die expertise bleek hij onvoldoende te beschikken.

Toch lukte het de mediator klager en zijn ex-partner nog bijna een half jaar aan het lijntje te houden voordat zij de mediation beëindigden. De aanpak van de mediator leidde er toe dat klager het vertrouwen in een goede afloop verloor. De frustratie over de geringe voortgang als gevolg van het gebrek aan expertise van de mediator, en als gevolg daarvan aanzienlijke onverwachte kosten, brachten klager er toe de mediation te beëindigen.

In de eerste plaats overwoog de Tuchtcommissie dat het in het algemeen onverenigbaar is met de Gedragsregels dat een MfN-registermediator tevens andere rollen vervult dan die van mediator. “Wel is het zo dat de mediator in een dergelijk geval zorgvuldig dient te markeren en waar mogelijk vast te leggen dat en welke ander rol(len) hij gaat vervullen. De verantwoordelijkheid voor helderheid over de noemer waaronder werkzaamheden verricht worden ligt bij de mediator die op deze basis met partijen in zee gaat”, aldus de Tuchtcommissie. De Tuchtcommissie lijkt te suggereren dat de mediator tegelijkertijd verschillende rollen zou kunnen vervullen. Ik denk dat dat niet zo is. Hij kan vanuit zijn rol als mediator verschillende competenties aanwenden, bijvoorbeeld een faciliterende, meer pro-actieve of zelfs evaluatieve rol aannemen, mede afhankelijk van zijn expertise. En dan nog alleen met instemming van partijen. Maar hij kan bijvoorbeeld niet tegelijkertijd mediator én bindend adviseur zijn. Hij zou wel - ik ben daar zelf in beginsel geen voorstander van - van rol kunnen verwisselen: eerst als mediator optreden en vervolgens als bindend adviseur. En natuurlijk ook altijd alleen met instemming van partijen. Ja, partijen kunnen een mediator selecteren op zijn specifieke expertise. Die expertise kan ook behulpzaam zijn bij de invulling van de stijl die de mediator aan de dag legt. Maar de overweging van de Tuchtcommissie dat de mediator was ingeschakeld als mediator én hypotheekadviseur, klopt dus strikt genomen niet.[2] De nieuwe Gedragsregels lijken een uitzondering te maken op mijn redenering, namelijk dat de mediator op verzoek van partijen een zogeheten mediator’s propsal kan doen.[3] In de Best Practice daarover is uitvoerig uiteengezet aan welke voorwaarden zo’n mediator’s proposal moet voldoen.[4] Eén voorwaarde is dat de mediator dat alleen doet in het geval de mediation is vastgelopen en hij zich terugtrekt als mediator indien zijn voorstel voor een oplossing door (één van) de) partijen niet wordt geaccepteerd. Dus aan het eind van de mediation verandert hij van rol. In wezen geeft hij in zo’n situatie zijn rol van mediator op en wordt niet-bindend adviseur.  

Partijen hadden deze mediator dus juist ingeschakeld vanwege zijn expertise op het gebied van hypotheken en op dat terrein mochten zij van hem een evaluatieve rol verwachten. De Tuchtcommissie leidde echter ook uit de stukken af dat de mediator al vrij snel na het intakegesprek inderdaad een andere hypotheekadviseur inschakelde. Volgens klager had de mediator vanaf het begin duidelijk moeten aangeven dat hij niet in staat was zelf over de afwikkeling van de hypotheken te adviseren, met alle extra kosten van dien. De  Tuchtcommissie volgde klager dus in deze redenering. Hiermee handelde hij niet alleen in strijd met  Gedragsregel 2 (Transparantie), maar ook in strijd met Gedragsregel 7 (Competentie). Volgens de Tuchtcommissie had de mediator op grond van deze Gedragsregel 7 de zaak niet (eens, toevoeging AS) moeten aannemen. De vraag is of dit laatste zo is als hij vanaf het begin duidelijk was geweest over zijn aanpak, namelijk dat hij voor de hypotheekproblematiek een hypotheekadviseur zou inschakelen die wel over de voor deze zaak benodigde expertise beschikte. Ik denk in beginsel van niet.

Omdat de mediator ook niet transparant was over zijn contacten met de door hem ingeschakelde hypotheekadviseur, handelde hij bovendien in strijd met Gedragsregel 3 (Partijautonomie). “Door juistgenoemd handelen heeft de mediator partijen de mogelijkheid ontnomen zelf keuzes te maken over voortzetting van het traject”, aldus de Tuchtcommissie in dit verband.

Tot slot constateerde de Tuchtcommissie dat haar niet was gebleken dat de door de mediator betrokken hypotheekadviseur een geheimhoudingsverklaring had getekend. Hij had hier volgens de Tuchtcommissie op grond van de Gedragsregels 6.1 (Vertrouwelijkheid) en 8.3 (Werkwijze) wel voor moeten zorgen. Maar omdat klager hierover niet heeft geklaagd, verbond de Tuchtcommissie hieraan geen consequenties. Nee, maar om tot de door haar terecht opgelegde maatregel te komen, maakt dat allemaal niet zoveel uit. 

Omdat de mediator een niet mis te verstaan tuchtrechtrechtelijk verleden had, terwijl er bovendien sprake was van vergelijkbare problematiek - namelijk onvoldoende verantwoordelijkheid nemen voor een goed en voortvarend verloop van de mediation - én omdat de mediator geen inzicht toonde in zijn eigen tuchtrechtelijk verwijtbaar gedrag, sloot de Tuchtcommissie de deur al voor de mediator in de eerdere zaak die leidde tot haar uitspraak van 7 juni 2024. Na deels voorwaardelijke schorsingen in twee eerdere zaken, viel hem toen al de meest zware maatregel ten deel: doorhaling van registratie in het MfN-register. Doorhaling uit het register betekent in principe niet ‘levenslang’. Een mediator zou na verloop van tijd kunnen aantonen dat hij zijn leven heeft gebeterd en weer een verzoek kunnen doen tot inschrijving in het register. Nu legde Tuchtcommissie wederom de maatregel van schrapping uit het MfN-register op. Of hij daarmee nu geen ‘levenslang’ heeft, waag ik te betwijfelen.

De mediator probeerde nog met een onzinnige processuele stap vertraging van de behandeling van zijn zaak te bewerkstelligen. Hij wraakte de leden van de Tuchtcommissie, namelijk met de stelling dat zij onvoldoende kennis van de materie zouden hebben. De facto probeerde hij hiermee invloed uit te oefenen op de aan te wijzen leden van de Tuchtcommissie. Partijen bepalen niet wie zitting heeft in een gerechtelijk of tuchtrechtelijk college. Dat bepaalt de instantie die belast is met de te voeren procedure. Wraking is alleen mogelijk in geval van vooringenomenheid van (één van de) leden van zo’n college, bijvoorbeeld indien voorafgaande aan de zitting één of meerdere leden blijk hebben gegeven van zijn of hun mening over de zaak of dat tijdens de zitting doen. Ook hieruit bleek de incompetentie van de mediator.   


[1] M-2023-12, Tuchtrecht Updates 2025, nr. 5.

[2] Zie laatste zin van r.o. 4.3.

[3] Zie toelichting op Gedragsregel 3, Gedragsregels 1 januari 2026.

[4] Best Practice IX (Mediator’s proposal).