Naar boven ↑

Annotatie

mr. A. Schaberg
9 februari 2026

Uitspraak

Alimentatieberekening conform regels en facturering buiten toetsingskader Tuchtcommissie

Klager en zijn ex-partner hadden geen samenlevings- of draagplicht overeenkomst voor het geval hun liefde zodanig zou bekoelen dat het hen beter leek ieder hun eigen weg te gaan. Dat brak hen op toen zij uit elkaar gingen. De begeleiding van de mediator leidde ook niet tot overeenstemming over de financiële afwikkeling van hun samenleving en het een ouderschapsplan voor hun twee kinderen.

Toen klager de mediator na de derde mediationbijeenkomst liet weten op geen enkele wijze akkoord te gaan met het verslag van die bijeenkomst, maakte de mediator een eind aan de mediation. Dat was niet zo verwonderlijk, klager had in zijn e-mail over dat verslag namelijk ook nog het volgende geschreven: “Het is niet aan jou om eigen en niet besproken punten en stellingen in te brengen, laat staan om de niet gemaakte acties daarin op te nemen. Dit ervaar ik als een zodanige integriteitsschending dat ik geen basis zie voor enige vorm van verdere samenwerking…” Na de niet succesvolle klachtenprocedure bij de MfN  diende klager al snel een klacht in bij de Tuchtcommissie (M-2025-4). Klager verweet de mediator dat zij opzettelijk onjuiste berekeningen zou hebben gemaakt van de kinderopvangkosten en de kinderalimentatie, dat zij ongeveer de helft van het verslag van de derde en laatste mediationbijeenkomst zou hebben vervalst en zelf hebben verzonnen en dat zij tijdens de mediation contact zou hebben gehad met zijn ex-partner. Tot slot verweet klager de mediator nog dat de urenberekening in haar declaratie niet aannemelijk was. Serieuze verwijten dus. Allemaal niet of onvoldoende onderbouwd, grotendeels gebaseerd op aannames en, zo lees ik de uitspraak van de Tuchtcommissie: ook onheus. De Tuchtcommissie verwees de klacht op alle onderdelen naar het rijk der fabelen.

Allereerst bespreek ik de vermeend ‘opzettelijk’ onjuiste berekeningen. De advocaten die partijen na de mediation hadden ingeschakeld kwamen tot een andere uitkomst van de berekeningen dan de mediator. “Die enkele omstandigheid maakt niet dat geconcludeerd kan worden dat de mediator opzettelijk onjuiste betekeningen heeft gemaakt, reeds omdat de uitkomst afhangt van de ingevoerde (financiële) gegevens”, overwoog de Tuchtcommissie. Klager onderbouwede in de e-mail waarin hij zijn vertrouwen in de mediator opzegde niet zijn stelling dat het bedrag aan kinderopvangkosten niet correspondeerde met de door zijn ex-partner aangeleverde gegevens. Ook tijdens de mondelinge behandeling heeft hij zijn verwijt niet concreet gemaakt, aldus de Tuchtcommissie. Dit is trouwens opvallend, omdat klager ter zitting beaamde dat de mediator tijdens de laatste mediationbijeenkomst uitgebreid heeft laten zien hoe zij de kinderalimentatie had berekend. De stelling van klager dat de mediator ook had nagelaten na zijn e-mail de vermeend foutieve berekening te herstellen, is op zijn zachtst gezegd omineus. Hij had toen immers al met niet mis te verstane bewoordingen het vertrouwen in de mediator opgezegd.

In de tweede plaats bespreek ik het verwijt dat de mediator het verslag van de laatste bijeenkomst zou hebben de vervalst en zelf hebben verzonnen. De ex-partner van klager wenste een vergoeding te krijgen voor een bedrag van € 140.000 dat zij had ingebracht voor de financiering van hun beider huis. Klager was het hier niet mee eens. De Tuchtcommissie stelde vast dat dit verschil van mening onderwerp van bespreking was geweest. Dat bleek ook uit het verslag van de mediator, aldus de Tuchtcommissie. “Dat klager stellig meende dat voor een vergoedingsrecht geen grond bestond en dat hij daarvoor bewijs had geleverd, maakt niet dat de inhoud van het verslag daarmee onjuist zou zijn. Dat los van deze stellige eigen visie van klager over het niet bestaan van een vergoedingsrecht, het verslag een onjuiste of zelfverzonnen weergave van het besprokene zou zijn, is niet gesteld of gebleken”, maakte de Tuchtcommissie korte metten met dit klachtonderdeel.

De Tuchtcommissie volgde klager ook niet in zijn derde verwijt, namelijk dat de mediator tijdens de mediation afzonderlijk contact zou hebben gehad met de ex-partner van klager, zonder hem hierover op de hoogte te stellen. Klager onderbouwde zijn verwijt met de aanname dat de mediator de onjuiste berekeningen wel moet hebben gemaakt met (financiële) gegevens die de mediator buiten klager om van zijn ex-partner had gekregen. “Een enkele aanname zoals (…) geschetst, kan geen onderbouwing (voor die stelling, toevoeging AS) leveren. Enerzijds omdat (…) niet is komen vast te staan dat de berekeningen onjuist waren (…), anderzijds omdat het gesuggereerde verband tussen die door klager aangenomen onjuistheid en enig contact tussen de mediator en de ex-partner onderbouwing ontbeert”, concludeerde de Tuchtcommissie recht toe, recht aan.

En dan zou de mediator nog teveel uren in rekening hebben gebracht voor wat er aan werkzaamheden is verricht. Hoewel klachten over de juistheid van de facturering in beginsel niet in het tuchtrecht thuis horen - daarop is het civiele recht van toepassing - besteedde de Tuchtcommissie toch enige aandacht aan dit verwijt. De Tuchtcommissie stelde in dit verband vast dat de mediator geheel in lijn met Gedragsregel 9 (Tarief en kosten) had gehandeld. Zij had bovendien in lijn met Gedragsregel 2 (Transparantie) bij aanvang van de mediation duidelijke afspraken gemaakt over de in rekening te brengen kosten. Ook later, bij de door partijen gemaakte gewijzigde keuze voor een pakketprijs die de mediator hen overigens onverplicht als optie had gegeven, voldeed de mediator aan deze norm. Verder heeft de mediator ook nog eens coulant gehandeld door de waarde van de niet benutte uren op deze vaste vergoeding in mindering te brengen, zo blijkt uit de uitspraak van de Tuchtcommissie.

Hoewel klager daarover niet had geklaagd, ging de Tuchtcommissie nog uitgebreid in op het feit dat de mediator geruime tijd voorafgaande aan de mediaton contact had gehad met de ex-partner van klager. Die had haar namelijk telefonisch benaderd om geïnformeerd te worden waaraan zij bij een scheiding allemaal moest denken. Later had de mediator nog eens per mail aan haar gevraagd hoe het ging en of zij wat aan de door haar gegeven tips had gehad. Ongeveer een half jaar daarna werd de mediator weer bij mail benaderd door de ex-partner van klager. In die mail schreef zij dat klager de week daarvoor eenzijdig een mediator had afgezegd en dat hij een mediator zocht die rekening met hem zou houden. Op dezelfde dag stuurde de mediator haar een reactie waarin zij schreef dat het misschien verstandig zou zijn één en ander via een advocaat te regelen als het traject zo moeizaam verloopt. De dag daarna werd de mediator door een collega van haar benaderd met de vraag of zij ruimte had om op korte termijn een scheiding te begeleiden. Vervolgens ontving de mediator een mail van de ex-partner van klager waarin stond dat zij en klager door een collega van de mediator naar haar waren doorverwezen. In dezelfde e-mail had de ex-partner aangegeven dat klager op de hoogte was van de eerdere contacten tussen haar en de mediator en dat hij dat geen probleem vond.[1] Dat was kennelijk het eerste moment dat de mediator begreep dat het om klager en diens ex-partner ging. Hoewel de mediator zich realiseerde dat vanwege dit voortraject een onbevangen begin van de mediation lastiger zou kunnen zijn, besloot zij toch om partijen uit te nodigen voor een kennismakingsgesprek, waarna drie dagen later de eerste mediationbijeenkomst plaats vond. Tijdens deze eerste mediationbijeenkomst is het voortraject nogmaals uitdrukkelijk met partijen besproken. Klager heeft toen kennelijk aangegeven dat hij daar geen probleem mee had. Ook tijdens de mondelinge behandeling heeft klager aangegeven op dit punt geen klacht te hebben. De Tuchtcommissie overwoog vervolgens dat zij vaststelde “(…) dat de mediator jegens partijen transparant en duidelijk is geweest over haar positie.” En zij vervolgde: “De mediator heeft er zo op toegezien dat ieder van partijen volledig ingelicht en autonoom heeft kunnen beslissen het mediationproces aan te gaan (zoals zij hebben gedaan).” Overigens had de Tuchtcommissie uit de stukken noch uit het verhandelde ter zitting enige aanwijzing gekregen dat de mediator zich niet onafhankelijk of niet onpartijdig zou hebben opgesteld. Ik vraag mij af waarom de Tuchtcommissie deze zogenoemde ‘overweging ten overvloede’ in haar uitspraak opnam. Ik denk niet dat de Tuchtcommissie ambtshalve een maatregel had kunnen opleggen als zij wel tot de conclusie zou zijn gekomen dat de mediator hier een verwijt te maken viel. Omdat klager over mogelijke (schijn van) afhankelijkheid noch over partijdigheid van de mediator een klacht had ingediend, zou de Tuchtcommissie daarmee uit de rechtsstrijd zijn getreden.[2]


[1] In de uitspraak staat “(… ) en dat de ex-partner dat geen probleem vond.” Uit de context van de overwegingen van de Tuchtcommissie ter zake (r.o. 4.14) leid ik af dat het hier om een kennelijke verschrijving gaat.

[2] De mediator zou dan in strijd hebben gehandeld met Gedragsegel 4 (Onafhankelijkheid) en/of Gedragsregel 5 (Onpartijdigheid).