Naar boven ↑

Annotatie

mr. A. Schaberg
2 oktober 2026

Uitspraak

Mediator handelt in strijd met gedragsregels. Doorhaling registratie.

Bijdrage B-2025-6 Website MfN Tuchtrecht Updates september 2026

Het hoger beroep (B-2025-6) van de mediator tegen de uitspraak van de Tuchtcommissie (M-2025-5) mocht hem niet baten. Het College van Beroep bevestigde de maatregel van de Tuchtcommissie: doorhaling van zijn registratie in het MfN-register.

Kort samengevat was de mediator onduidelijk geweest over zijn rol, bleek hij ondeskundig en bracht hij partijen hoge kosten in rekening. En dat was niet de eerste keer. In een eerdere zaak met een vergelijkbaar feitencomplex had de Tuchtcommissie de doorhaling van zijn registratie ook al bevolen.[1] ‘Een drama in twaalf bedrijven’, zo opende ik mijn commentaar op die zaak.[2]

Het eerste dat opvalt is dat de mediator bij de mondelinge behandeling van het College van Beroep zonder opgaaf van redenen verstek liet gaan. Als je zelf in hoger beroep gaat van een uitspraak van de Tuchtcommissie die ook nog eens de zwaarste maatregel tegen je oplegt, grijp je toch iedere gelegenheid aan om je argumenten voor je bezwaren tegen de uitspraak van de Tuchtcommissie kracht bij te zetten? Maar niet alleen in hoger beroep, ook in eerste instantie is de mondelinge behandeling een uitgelezen mogelijkheid om je verweer toe te lichten en mogelijke vragen van de Tuchtcommissie te beantwoorden. Ook als het gaat om minder zwaarwegende klachten.

In deze zaak valt verder op dat de Tuchtcommissie volgens de mediator een aantal procedurele fouten zou hebben gemaakt. Zijn formele bezwaren rustten allemaal op drijfzand, waren zogezegd ‘apekool’. Zo zou de mediator niet zijn gevraagd bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn en zou hij ook niet zijn geïnformeerd dat klager daarbij welk aanwezig zou zijn. Daarom zou de mondelinge behandeling volgens de mediator ‘gekleurd’ zijn verlopen. Het College van Beroep heeft uit het dossier eenvoudig kunnen vaststellen dat de mediator voor de mondelinge behandeling bij de Tuchtcommissie schriftelijk was uitgenodigd. En dat is voldoende. Mocht hij vragen hebben gehad over het verloop van zo’n mondelinge behandeling, dan had hij overigens eenvoudigweg contact kunnen opnemen met het secretariaat van de STM. Voor zover de mondelinge behandeling al gekleurd zou zijn geweest, is dat trouwens niet verwonderlijk. Als gevolg van de keuze van de mediator daarbij niet aanwezig te zijn, ging de aandacht namelijk vanzelf naar klager, aldus het College van Beroep. Maar dat betekent nog niet dat de behandeling door de Tuchtcommissie op de hoorzitting subjectief of partijdig is geweest.

Nog vreemder is de stelling van de mediator dat de Tuchtcommissie haar uitspraak niet zou hebben gedaan binnen de termijn die daarvoor is opgenomen in het Reglement van de Stichting Tuchtrechtspraak Mediators.   Die termijn is tien weken na de mondelinge behandeling. De Tuchtcommissie deed negen weken daarna uitspraak. En ook al zou de Tuchtcommissie die termijn niet hebben gehaald, met een simpel aanhoudingsbericht aan partijen zou de Tuchtcommissie die termijn eenvoudig hebben kunnen verlengen.

Verder had de Tuchtcommissie volgens de mediator een externe deskundige moeten inschakelen om tot haar uitspraak te komen. Het College van Beroep stelde eenvoudig vast dat de leden van de Tuchtcommissie de benodigde deskundigheid zelf in huis hadden.[3]

De klacht van de mediator dat de Tuchtcommissie in haar beslissing het tuchtrechtelijk verleden van de mediator noemde, wees het College van Beroep ook af. Verwijzing daarnaar was mede nodig om haar maatregel te motiveren. In dit verband verdient het opmerking dat het tuchtrechtelijk verleden van een beklaagde alleen kan meespelen bij de motivering van de maatregel, en niet bij de afweging of een klacht op zich gegrond is. (Hier ligt een zekere vorm van bias overigens wel op de loer.) Wel is van belang of in het verleden toegewezen klachten zien op eenzelfde gedragspatroon. Is dat het geval, dan zal dat bij de motivering van de maatregel op zich (nog) zwaarder meewegen dan wanneer dat niet het geval is.

Tot zover de klachten van de mediator over de door de Tuchtcommissie gevoerde procedure.

Wat betreft de beslissing van de Tuchtcommissie zelf: het College van Beroep nam allereerst het feitencomplex zoals vastgesteld door de Tuchtcommissie over, alleen al omdat de mediator hiertegen niet was opgekomen. Wel vulde het college dat feitencomplex op enkele punt aan. Daar is natuurlijk niets op tegen. Om een lang verhaal (heel) kort te maken: het College van Beroep wees vervolgens alle klachten van de mediator tegen de uitspraak van de Tuchtcommissie gemotiveerd af, ook die tegen de maatregel zelf. Daarin volgde het in grote lijnen de motivering van de Tuchtcommissie. Leest u daartoe r.o. 5.5 tot en met r.o. 5.12 van de uitspraak van het College van Beroep. Ik heb daaraan niets meer toe te voegen.          

 


[1] M-2023-12.

[2] Tuchtrecht Updates 2025, nr. 2.

[3] Bij de samenstelling van de ‘kamer’ van een rechtsprekend (tucht)college kan het wel nuttig zijn om rekening te houden met de expertise van de leden daarvan. Dat is overigens de reden dat er altijd beroepsgenoten in een tuchtrechtelijk college zitting hebben, die ook weer specifieke deskundigheid kunnen hebben met betrekking tot aangelegenheden die partijen verdeeld houdt.