Annotatie
9 februari 2026
Uitspraak
Mediator hoeft cliënten niet te wijzen op goedkopere alternatieven mediation
In het hoger beroep (B-2025-2) van klager tegen de uitspraak van de Tuchtcommissie[1] verklaarde het College van Beroep het beroep van klagers ongegrond.
De mediator hanteerde voor de afwikkeling van echtscheidingen een systeem van vaste prijsafspraken. Dat kwam er op neer dat partijen een eenvoudige, goedkopere variant kunnen kiezen om hun geschil tot een einde te brengen of een uitgebreide, duurdere variant. Tijdens het kennismakingsgesprek met partijen heeft de mediator deze varianten besproken en ook inzichtelijk gemaakt waaruit haar werkzaamheden afhankelijk van de gekozen variant zouden bestaan. Partijen hadden de mediator in dat gesprek voorgehouden dat zij geen problemen verwachtten. De goedkope variant hield in dat de mediator alleen een intakegesprek zou voeren, aan de hand daarvan een convenant en een ouderschapsplan zou opstellen zonder verdere begeleidingsgesprekken, en de processuele afhandeling op zich zou nemen, inclusief de inschakeling van een advocaat. Partijen kozen voor deze goedkope variant.
Tijdens de hoorzitting van het College van Beroep heeft klaagster aangegeven dat de essentie van de klacht is dat de mediator hen niet op andere, goedkopere opties dan de hare heeft gewezen om de echtscheiding af te wikkelen, zoals een doorverwijzing naar een advocaat of een online regeling. Zoals het College van Beroep terecht overwoog, kennen de Gedragsregels geen verplichting om partijen te wijzen op eventuele andere, goedkopere alternatieven om hun geschil op te lossen. Wel moet de mediator op grond van Gedragsregel 9.1 duidelijke tariefafspraken met partijen maken en deze vastleggen in een mediationovereenkomst (of anderszins, durf ik daar wel aan toe te voegen). Het is overigens uitdrukkelijk toegestaan om vaste tariefafspraken te maken, zo bepaalt Gedragsregel 9.4. Uit Gedragsregel 2 (Transparantie) volgt verder dat de mediator inzichtelijk maakt welke werkzaamheden hij zal uitvoeren voor het afgesproken tarief. Dat had de mediator tijdens het kennismakingsgesprek ook naar behoren gedaan.
Hoewel de mediator naar eigen zeggen partijen in principe adviseert voor het duurdere tarief mét begeleidingsgesprekken te kiezen indien er zoals in deze zaak een gemeenschappelijke woning en kinderen in het geding zijn, kozen klagers desalniettemin voor het goedkope tarief. Dat dat op zich een juiste keuze was, bleek uit het feit dat geschillen over de woning en de kinderen zijn uitgebleven.
Zoals zij dat in eerste instantie deden, meenden klagers ook in hoger beroep dat de mediator vermeend meerwerk had moeten specificeren in haar einddeclaratie. Daar was namelijk inderdaad sprake van. Tijdens het intakegesprek lieten klagers de mediator weten dat zij al overeenstemming met elkaar hadden bereikt over de bestemming van hun gemeenschappelijke woning en die ook al op naam van klaagster hadden gezet. Later bleek dat klager meer moeite had nieuwe woonruimte te vinden dan partijen aanvankelijk hadden voorzien. Dat leidde tot enige complicaties en dus tot meerwerk, iets wat de mediator ook in één van haar e-mails aan partijen heeft laten weten. Dit meerwerk heeft de mediator echter niet in rekening gebracht, maar zoals afgesproken het vaste lage tarief gefactureerd. En zo hoort het ook als een vast tarief is afgesproken. Waarom zou je dat anders doen? Ik vraag mij af waar klagers op uit waren. Zoals ik ook al in mijn commentaar bij de uitspraak van de Tuchtcommissie observeerde, leek het er op dat klagers dachten dat als er geen sprake van meerwerk zou zijn, de vaste tariefafspraak ter discussie kon worden gesteld. Dat zou wel een hee vreemde redenering zijn.
Bij de Tuchtcommissie klaagden klagers ook over vermeende incompetentie van de mediator. Daarop is het College van Beroep in haar overwegingen die leidden tot afwijzing van de klachten in hoger beroep, niet uitdrukkelijk ingegaan. Wel overwoog het zonder nadere motivering dat ook in hoge beroep niet was komen vast te staan dat de mediator in strijd met Gedragsregel 7 (Competentie) had gehandeld. Hoewel het College van Beroep dat misschien wel had moeten doen, volgt uit de uitspraak van de Tuchtcommissie gelukkig duidelijk dat er geen sprake was van incompetentie aan de kant van de mediator.
[1] Zie M-2024-11 en mijn annotatie van die zaak in MfN Tuchtrecht Updates 2025, nr. 3
